|
Cultuurverandering binnen overheidsorganisaties:
karakter en creativiteit
Jan de Jonge
Organisatieadviseur en vennoot van TCG.
In de afgelopen maanden heeft TCG, de Twente Congres
Groep, een tweetal landelijke seminars over cultuurverandering
binnen overheidsorganisaties georganiseerd. Deze seminars
kenmerkten zich door een hoog praktijkgehalte en een
grote mate van interactiviteit. Deelnemers konden van
tevoren hun eigen behoeften en praktijkvragen aangeven,
en deze vormden de basis voor de inleidingen en voor
de workshops, waarin deelnemers alle ruimte kregen om
in kleine groepjes hun problemen én oplossingen
uit de praktijk uit te wisselen. In dit artikel vindt
u een aantal belangrijke resultaten van deze seminars,
die werden bijgewoond door een kleine tachtig deelnemers,
met name lijnmanagers en P&O-adviseurs afkomstig
uit gemeentelijke organisaties.
Cultuurverandering moet, maar hoe dan?
In een groot aantal overheidsorganisaties
wordt, vaak in het kader van een organisatieontwikkelingstraject,
gericht gewerkt aan verandering van cultuur en werkstijl.
Doel is om de organisatie klantgerichter te maken, het
bedrijfsmatig of resultaatgericht werken te bevorderen
of om de verschillende kokers waaruit de gemiddelde
overheidsorganisatie bestaat te slechten.
Sinds een aantal jaren is cultuurverandering
binnen de overheid vooral gericht op het bevorderen
van de samenwerking tussen privaat en publiek domein.
De bedrijfsmatige overheid maakt plaats voor de interactieve
of responsieve overheid, die een fundamentele herbezinning
op de rol en positie van de overheidsorganisatie met
zich meebrengt. Dit vereist open en creatieve ambtenaren,
een nieuwe houding en ander gedrag.
Daarbij komt het besef dat de talloze
veranderingsprocessen binnen overheidsorganisaties in
de afgelopen jaren vaak weinig daadwerkelijk effect
hebben gehad. In deze veranderingen heeft het accent
lange tijd gelegen op ontwerpende blauwdrukachtige benaderingen,
leidend tot verandering van structuren en systemen,
maar tevens vaak met een cultuurbevestigende werking.
De tijd van de grote modellen is echter
voorbij. Steeds meer wordt onderkend dat effectieve
en succesvolle veranderingen zich kenmerken door veel
aandacht voor het gedrag van mensen en de wijze waarop
zij (samen)werken. Aandacht voor de “zachte factoren”
is cruciaal.
De deelnemers aan de seminars zijn echter
van mening dat juist dit aspect in de praktijk van alledag
heel moeilijk van de grond komt. “Onze gemeente
werkt al geruime tijd nadrukkelijk aan cultuurverandering,
maar ik merk hoe lastig het is daadwerkelijk iets op
gang te brengen.” En: “we willen wel veranderen
(wie is er tegen verbetering?) maar in de praktijk zien
we zoveel haken en ogen dat het er niet makkelijk van
komt”.
Nogal wat managers worstelen daarbij met
de eigen rol: “Van mij wordt als leidinggevende
verwacht dat ik sturing geef aan het cultuurverbeteringsproject
van de afdeling. Maar hoe doe ik dat dan?” En:
“er wordt steeds gesproken over coachend leidinggeven,
maar hoe krijg ik werknemers mee die al jaren in hun
functie zijn vastgeroest?”
Cultuurverandering als worsteling, dat
is het beeld dat naar nadrukkelijk naar voren komt.
Het veranderen van de organisatiecultuur, hoe doe je
dat? “Ik weet het niet, ik heb mij niet voor niets
voor dit seminar opgegeven”, zo antwoordde een
van de deelnemers wat geïrriteerd op de vraag wat
volgens hem de belangrijkste reden is dat cultuurverandering
binnen zijn organisatie zo moeilijk van de grond komt.
Cultuurverandering in de praktijk: succes- en faalfactoren
Cultuurverandering is dus een lastig fenomeen.
Ongrijpbaar, zo geven nogal wat mensen aan. Moeilijk,
hachelijk, tijdrovend. Wat zijn bij een dergelijk traject
nu de belangrijkste succesfactoren en belemmeringen?
De discussies tijdens de seminars laten het volgende
beeld zien.
- Leiderschap en voorbeeldgedrag van
het management komen op afstand als punt één
naar voren. Consequent gedrag van de top is cruciaal.
De rol van de manager als scharnierpunt, die enerzijds
met kracht de nieuwe, gewenste cultuur zichtbaar moet
maken, maar zich anderzijds ook kwetsbaar en zoekend
moet durven opstellen.
- In de tweede plaats worden helderheid,
duidelijke doelen en een open, eerlijke communicatie
van essentieel belang geacht. Alleen op deze manier
kan de gewenste verandering aan de werkvloer worden
overgebracht en kan betrokkenheid worden verwacht.
- Een systematische aanpak wordt noodzakelijk
gevonden. Op basis van een plan van aanpak waarbij
de bestaande cultuur in beeld wordt gebracht (nulmeting)
en de gewenste cultuur wordt vastgelegd. Zorg daarbij
voor inspirerende voorbeelden, en maak successen zichtbaar,
zo luidt de boodschap uit de praktijk.
- Het is belangrijk te onderkennen dat
cultuurverandering veel tijd en energie kost. Het
gaat niet vanzelf. Er moeten voldoende middelen beschikbaar
worden gesteld en mensen moeten de mogelijkheid krijgen
te leren en zich te ontwikkelen.
- Cultuurverandering lijkt nogal eens
belemmerd te worden door te weinig medewerking vanuit
de ambtelijke en politieke top. Met een onvoldoende
wilskrachtig management en een conservatief bestuur
is cultuurverandering wel érg lastig te realiseren.
- En hoe zit het met de medewerkers?
Het is een realiteit dat veranderingen binnen de overheid
in het algemeen moeten worden gerealiseerd met het
zittende personeel. In hoeverre is dit reëel?
Hoe krijg je medewerkers die al jaren vastgeroest
in hun functie zitten, mee in een cultuurveranderingtraject,
hoe krijg je ze überhaupt in beweging? Is een
werkelijke cultuurverandering in een overheidsorganisatie,
met zijn bijzondere rechtspositie en cultuur, eigenlijk
wel te realiseren? Dit zijn wezenlijke vraagstukken
waar veel overheidsmanagers en hun P&O-adviseurs
mee worstelen.
Management met karakter
De eerste spreker op de beide seminars,
de heer Bernard Ouwerkerk, gemeentesecretaris van Breda,
had een heel duidelijk antwoord op de vraag hoe cultuurveranderingen
in zo’n context plaats moeten vinden. Een sterk
persoonsgerichte en top-down aanpak, dat is de enige
manier, zo zette hij het bewust scherp neer. Dit vanuit
de redenering dat je de werkvloer kan veranderen zoveel
als je wilt: als het management niet wil of kan veranderen
zet het geen zoden aan de dijk.
Management met karakter, zo luidde
de titel van zijn inleiding dan ook. De leidinggevende
bevindt zich daarbij in een paradoxale situatie. Hij
of zij is veranderaar en tegelijkertijd drager van de
oude cultuur. Hij of zij moet vanzelfsprekendheden benoemen
waarvan hij of zij zelf een onderdeel is. Om medewerkers
in beweging te krijgen, hebben leidinggevenden vaak
de neiging om hén te willen veranderen, maar
dat werkt niet. Er is geen beginnen aan, want mensen
kunnen alleen zichzelf veranderen. Mensen willen doorgaans
best veranderen, maar niet veranderd worden. Dit betekent
dat het zaak is dat leidinggevenden in het proces van
cultuurverandering allereerst bij zichzelf beginnen.
Een valkuil is om te veel energie te stoppen in het
veranderen van anderen en te weinig stil te staan bij
het eigen gedrag en het effect daarvan.
Cultuurverandering begint dus bij
het gedrag van managers, zo luidt de filosofie binnen
de gemeente Breda. Van managers wordt binnen deze gemeente
onder meer verwacht dat zij vernieuwend zijn, risico
durven nemen, goed kunnen luisteren en delegeren, hun
mensen kunnen enthousiasmeren, goed kunnen communiceren
en netwerkgedrag vertonen.
Deze eisen zijn vertaald in concrete
gedragscriteria, die tweejaarlijks via een 360-graden
beoordeling worden getoetst. Te beginnen met de ambtelijke
top. De directeuren beoordelen zichzelf aan de hand
van de criteria, en er worden door de gemeentesecretaris
gesprekken gevoerd met het college, de collega-directeuren,
de ondernemingsraad, de middenmanagers en met personeelszaken.
Het managementteam komt vervolgens
bijeen en ieder lid wordt geconfronteerd met zijn/haar
eigen beoordelingsbeeld en dat van de organisatie. Wijken
de beelden sterk van elkaar af, dan vindt een individueel
gesprek met de gemeentesecretaris plaats. En dit kan
heel confronterend zijn. Leiden tot concrete afspraken
ter verbetering, maar ook tot de conclusie dat het beter
is afscheid van elkaar te nemen.
Een tweede interessant element van
de cultuurverandering in de gemeente Breda betreft de
themabijeenkomsten. Eén keer per maand wordt
een lunchbijeenkomst georganiseerd voor alle leidinggevenden
en stafmedewerkers over een onderwerp dat te maken heeft
met cultuur dan wel gedrag. Bijvoorbeeld klantgerichtheid,
planning en control, integriteit, integraal werken.
Per thema worden een paar mensen gevraagd de bijeenkomst
voor te bereiden. Eén daarvan is verantwoordelijk.
Inschakeling van een externe mag, hoeft niet. Meedoen
gebeurt op basis van vrijwilligheid. Per keer moet je
een tientje uit eigen zak betalen. Je investeert immers
in jezelf, zo luidt de stelling van Ouwerkerk.
En hoe zit het nu met de rechtspositie
die alle veranderingen zou belemmeren? Het traditionele
systeem dat sterk is gericht op regels en het vermijden
van ongelijkheid en risico’s zal plaats moeten
maken voor een eenvoudig en flexibel alternatief.
Landelijk staat deze problematiek
op de agenda van het College van Arbeidszaken, maar
in Breda hebben ze vastgesteld dat ze daar niet op konden
wachten. Daarom is een projectgroep in het leven geroepen
die de complete rechtspositieregeling heeft doorgelopen
en een groot aantal concrete voorstellen heeft gedaan
voor vereenvoudiging.
Een aantal voorbeelden. Er wordt
voorgesteld te komen tot een vereenvoudiging van de
bezoldigingsstructuur, die maximaal drie periodieken
per schaal kent. Medewerkers ontvangen bij volledig
functioneren het maximum salaris. Daarnaast heeft iedere
leidinggevende de beschikking over een budget (5% van
de loonsom) voor flexibele beloning op basis van presteren.
Werving van nieuwe medewerkers vindt
altijd gelijktijdig intern en extern plaats. Uitgangspunt
is: de beste persoon op de juiste plaats. Werven op
kwaliteit betekent belonen op niveau, en dat betekent
dat altijd de functionele schaal wordt geboden, met
bij volledige geschiktheid het maximum salaris. Beoordelingen
komen tot stand op basis van de 360-graden methodiek.
Een fundamenteel nieuw systeem dus, dat overigens nog
volop in discussie is, daar in Breda. Maar het doel
is duidelijk: een eenvoudig en flexibel personeelsbeleid,
dat past bij de gewenste cultuur en waarin motivatie
en mobiliteit weer optimale kansen krijgen.
Draagvlak, creativiteit en inspiratie
De tweede spreker, de heer Dick
Otter, had een heel ander verhaal. Otter is mede-oprichter
van het organisatieadviesbureau Lef-consult, en was
tot voor kort werkzaam als ‘bruggenbouwer’
bij GAK Nederland BV. Een organisatie die een aantal
jaren geleden een fundamentele cultuuromslag moest doormaken.
Van een intern gericht bureaucratisch moloch naar een
slagvaardig bedrijf dat de concurrentie op de markt
aan kan.
De directie besloot begin 1997 om
twee mensen gedurende twee jaar vrij te stellen om dit
proces aan te jagen, in een stroomversnelling te brengen
en te houden. Zij werden bruggenbouwers genoemd, met
een vrije opdracht: jaag de cultuurverandering aan.
Maar hoe doe je dat dan? Hoe kun je cultuurveranderingen
managen?
Otter had daar een duidelijke mening
over. Het kan namelijk niet. Het willen managen van
cultuurveranderingen lijkt op de pogingen van een stadionspeaker,
die na een foutieve scheidsrechterlijke beslissing in
het nadeel van de thuisspelende club probeert het publiek
te laten stoppen met vreselijke, ja zelfs vleselijke
spreekkoren richting scheidsrechter, zo betoogde Otter.
Dat gaat niet, omdat je dan probeert al sterk gevestigde
normen en waarden aan te tasten. En dat lukt niet met
een oproep, hoe dwingend die ook moge klinken.
Hoe dan wel? In beweging brengen
betekende voor Otter en zijn collega-bruggenbouwer vooral
dat zij de gedachten van mensen in beweging wilden brengen.
De mogelijkheid voorhouden dat dingen ook anders kunnen,
zonder te roepen dat het tot nu toe altijd fout was.
Wil je gedragsverandering dan mag je in de eerste fase
wel flink veel lawaai maken.
Een aardige manier was de postercampagne.
De bruggenbouwers hebben in grote getale posters laten
drukken, met confronterende teksten à la Loesje,
en die verspreid over alle districtkantoren. Zonder
daarvoor toestemming te vragen aan het hoofdkantoor.
Om de twee of drie weken een nieuwe poster.
De reacties liepen sterk uiteen.
Sommigen vonden het prima dat er eens wat anders gebeurde
en zaken op een speelse manier aan de orde werden gesteld.
Maar ook boosheid en verontwaardiging, zeker in het
begin. In ieder geval bracht het mensen in beweging,
en dat was precies de bedoeling.
Daarnaast is men begonnen met bruggenbouwerslunches.
Steeds werden vijf willekeurige medewerkers uitgenodigd
en deze werden gevraagd vijf collega’s, naar eigen
keuze, mee te nemen. Onderwerp van gesprek was cultuurverandering
in relatie tot het eigen handelen. De bruggenbouwers
kochten een grote ronde tafel voor in het bedrijfsrestaurant
en daar lunchte de gespreksgroep temidden van alle andere
eters. De reacties waren positief, op een gegeven moment
boden mensen zich spontaan aan voor deze lunchgesprekken.
Belangrijk waren eveneens de maandelijkse
gesprekken die de bruggenbouwers met de directie voerden.
Dit waren verantwoordingsgesprekken, maar niet op de
gebruikelijke manier. Want niet de bruggenbouwers legden
verantwoording af, maar de directieleden moesten duidelijk
maken wat zij als voorbeeldfunctionarissen aan cultuurverandering
hadden bijgedragen. De bruggenbouwers vervulden de functie
van hofnar: in de Middeleeuwen de enige die, zij het
op ludieke wijze, de koning kon aanspreken op zijn gedrag
en de effecten daarvan.
Een hoop lawaai maken en mensen
met creatieve acties uitdagen en inspireren om nieuw
gedrag te vertonen. Daar draaide het vooral om in die
eerste fase, aldus Otter.
Zo’n fase moet wel gevolgd
worden door een fase van verdieping, anders blijft het
te ludiek en is het maar de vraag of er echte verandering
plaats vindt. Je moet wel verankeren wat je aan het
opschudden bent. Dit heeft vorm gekregen door toepassing
van de constructieve dialoog, zoals Otter het noemt.
Bijvoorbeeld door het voeren van dorpspleingesprekken,
waarbij de directieleden talloze medewerkers van de
werkvloer hebben gesproken. Ze hoorden daarbij inhoudelijk
misschien niet veel nieuws, maar wel de emotie die erachter
zat en dat was heel leerzaam.
Ook zijn diverse conferenties georganiseerd,
waarin werd gediscussieerd over thema’s als servicegerichtheid
en vooral ook de vraag: wat ga jij daaraan doen, onafhankelijk
van de vraag wat anderen al aan het doen zijn. Een wezenlijk
element is eveneens de leiderschapstraining die aan
alle leidinggevenden is aangeboden.
Doel van deze training is dat managers
inzicht krijgen in hun houding en gedrag. Duidelijk
moet worden dat naast de harde kant van strategie, structuur
en systemen, ook nog een zachte kant bestaat –
normen, waarden cultuur en leiderschap. En dat alleen
een goede balans resultaten oplevert. De directie nam
als eerste deel aan de trainingen, waarmee ze het belangrijke
signaal afgaven dat het menens was en dat ook zij bereid
waren bij te leren.
Cultuurverandering: lessen uit de praktijk
Wat kunnen we nu leren uit bovenstaande
praktijkvoorbeelden, gekoppeld aan de ervaringen van
deelnemers aan de seminars? Hieronder een aantal belangrijke
lessen.
1. Zoek niet naar standaardrecepten.
Die bestaan niet voor cultuurverandering. Daar is het
te ingewikkeld voor. Cultuurverandering grijpt in op
allerlei vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden
waar men niet dagelijks over nadenkt. Cultuurverandering
in de zin van verandering van houding en gedrag kan
alleen als die onderbewuste lagen worden blootgelegd
en bespreekbaar gemaakt. Dat lukt alleen als individuen
en groepen dat zelf willen, niet als de manager dat
zo graag wil. Een variëteit aan maatregelen, met
zowel top-down als bottom-up elementen is het meest
effectief. Een aanpak die zich kenmerkt door een goede
mix tussen karakter en creativiteit.
2. Vertoon voorbeeldgedrag. Het is
de taak van topmanagers om de veranderingsnoodzaak vast
te stellen en uit te dragen. En het is daarbij absoluut
noodzakelijk om zelf het gewenste nieuwe gedrag te demonstreren
dat nodig is om de verandering te realiseren. Juist
bij een cultuurverandering luistert dit nauw. Daarvoor
is het vermogen tot zelfreflectie essentieel. Van een
manager die niet de eigen drijfveren kent en de grondhouding
die aan zijn eigen gedragspatronen ten grondslag ligt,
mag niet verwacht worden dat deze in staat is anderen
effectief te beïnvloeden.
3. Neem het middenkader serieus. Het
middenmanagement is het scharnierpunt bij alle veranderingsprocessen,
zeker bij cultuurverandering. Het middenkader moet daarbij
de ruimte krijgen om een eigen rol te spelen. Niet de
top gaan naäpen, maar een constructief-kritische
houding bezitten. Waar ze het eens zijn met de nieuwe
visie en de veranderplannen dienen ze dit volop uit
te dragen naar de medewerkers. Daar waar ze er niet
achter staan dienen ze een open discussie met de top
aan te gaan. Challenge up en support down. Een middenkader
dat stilzwijgend meegaat om vervolgens stilzwijgend
toch niet echt mee te werken is fnuikend voor het succes
van veranderingsprocessen.
4. Accepteer weerstand. Respecteer ieders aarzeling,
beloon initiatieven en besef dat niets dodelijker is
dan mensen eerst ruimte te geven en bij de eerste de
beste tegenslag het heft weer in eigen hand te nemen.
Beheersen is gemakkelijker dan loslaten, maar dit laatste
is bij cultuurverandering absoluut noodzakelijk. Vermijd
een ongenuanceerde aanpak, waarin van de ene op de andere
dag niets meer deugt van de oude organisatie en werkwijze.
Beter is een houding van het goede te willen behouden
en het slechte te vervangen. Dit stimuleert medewerkers
om ook over de sterke kanten van de organisatie te spreken,
ze blijven gemotiveerd en het veranderingsproces blijft
geloofwaardig. Betrek medewerkers bij de veranderingen,
discussieer met ze, daag ze uit en geef ze vertrouwen.
Beloon ze als ze nieuw gedrag vertonen. Biedt ze trainingen
en opleidingen aan als tool om zich het gewenste gedrag
eigen te maken. En die enkeling die niet mee wil? Besteed
er niet te veel aandacht aan. Tenzij hij of zij destructief
gedrag gaat vertonen. Wees dan heel duidelijk en aarzel
niet harde maatregelen te nemen.
5. Kies een heldere aanpak met concrete veranderdoelen.
Omdat cultuurverandering zich kenmerkt door een hoge
mate van onzekerheid, dient het veranderproces een duidelijke
structuur te hebben waar men op terug kan vallen. Probeer
niet in één keer de hele wereld te veranderen,
maar richt je op kleine verbeteringen, die je voor iedereen
zichtbaar maakt en duidelijk uitdraagt. Niets werkt
zo motiverend als succes. Wees daarbij volhardend. Besef
dat cultuurverandering een proces is dat jaren en jaren
kan duren. Want oude patronen slijten langzaam. Cultuurverandering
is uitdagend, vaak frustrerend maar uiterst zinvol.
Het vereist veel discussie en interactie. Heb geen illusies
over het snel behalen van grote successen. Maar, wie
geduld heeft wordt beloond.
Literatuur
A.J.G.M. Bekke: Noodzaak van cultuurverandering
– de tweede golf ‘verklaard’, TCG-congres
Cultuurverandering bij gemeenten: de tweede golf, Amersfoort
febr. 1997.
M. Bosma: Cultuurverandering bij VROM; open en creatieve
ambtenaren. In: Personeels Management nr. 12, 1997.
H.B.A. Grotelaar, J.J.B. van Kerkhoff en R. Wielenga:
Sturen, besturen en gestuurd worden, Amersfoort 1999.
R. Kiene en R. Ockeloen: Veranderen: vaardigheid of
valkuil? In: de Overheidsmanager nr. 11, 1996.
H. Klop: Revitalisering cultuurvernieuwing. In: Personeelsmanagement
in Overheidsorganisaties nr. 3, 1999.
M.R. van der Kuyp: Verandering van organisatiecultuur
in de praktijk. In: Personeelbeleid nr. 10, 1994.
C.J.B. Mol, J.B.G. Born, C.W. Vroom: De paradox van
cultuurverandering: beïnvloedt de verandering de
cultuur of de cultuur de verandering? In: M&O nr.
5, 1994.
E. van Raaij: De cruciale (en paradoxale) rol van de
leidinggevende, TCG-congres Cultuurverandering bij gemeenten:
de tweede golf, Amersfoort febr. 1997.
D. Otter, J. Rutgers, K. Smit: Naar een zelfdragende
constructie. In: Gids voor Personeelsmanagement nr.
6, 1998.
|