 |
Tussen droom en daad...
drs. Jan de Jonge
P&O-adviseur en vennoot van het congresbureau TCG.
Inleiding
Het tij lijkt gunstig voor P&O-ers in overheidsland.
Zo langzamerhand is iedereen er wel van overtuigd dat
het voor overheidsorganisaties van groot belang is een
modern strategisch personeelsbeleid te voeren. De krappe
arbeidsmarkt noodzaakt tot attractief werkgeverschap.
De moderne ambtenaar stelt andere eisen aan de organisatie,
maar ook andersom: een modernisering van het personeelsmanagement
is noodzakelijk om de medewerkers fit for use te houden.
Maar toch moet worden geconstateerd dat P&O-ers
er vaak onvoldoende in slagen de meerwaarde die ze kunnen
bieden zichtbaar te maken. Het gevolg: forse kritiek.
‘Personeel en Organisatie, een apart vak? Laat
me niet lachen’, zo luidt de kop van een artikel
dat onlangs in de Gids voor Personeelsmanagement verscheen,
van de hand van de gemeentesecretaris van Breda. P&O-ers
fungeren volgens deze auteur dikwijls als alibi ‘om
te verdoezelen dat veel managers en chefs geen leiding
kunnen geven of het zogenaamd te druk hebben met de
inhoud van het werk of met netwerken’.
In onderstaand artikel wordt verslag gedaan van een
landelijk congres dat onlangs over deze thematiek is
georganiseerd. Het congres werd bijgewoond door 65 deelnemers,
vrijwel allen (bijna 90%) werkzaam als hoofd P&O,
personeelsadviseur of beleidsmedewerker P&O, en
voor het grootste deel (65%) bij een gemeente.
Het congres vond plaats op 28 februari 2002 in congrescentrum
De Werelt te Lunteren. De organisatie was in handen
van TCG, een kleinschalig congresbureau dat zich met
name richt op het organiseren van hoogwaardige seminars
en congressen op het terrein van management- en besturingsvraagstukken
binnen de overheid. Kernbegrippen daarbij zijn: praktijkgerichtheid,
interactiviteit en inspiratie.
1. Vragen en behoeften van de congresdeelnemers
Een wezenlijk element van ieder TCG-congres is dat geprobeerd
wordt optimaal in te spelen op de vragen en behoeften
van de congresdeelnemers. Om dit te realiseren krijgen
alle deelnemers bij inschrijving een inventarisatieformulier
toegestuurd, waarop zij hun specifieke vragen en behoeften
aan kunnen geven. Ruim de helft van de deelnemers heeft
het inventarisatieformulier ingevuld.
Op het inventarisatieformulier werd in de eerste plaats
gevraagd de aspecten van personeels-management te ‘scoren’
waar de meeste interesse naar uit gaat. Onderstaand
schema laat zien hoe deze vraag is beantwoord.
| De strategische rol die P&O dient
te spelen |
62% |
| Versterking van de rol van het management op P&O-gebied |
62% |
| Professionalisering van de P&O-functie |
43% |
| Ontwikkeling en implementatie van nieuwe P-instrumenten |
43% |
| Afstemming tussen medewerker en functie: inzetbaarheid,
competentiemanagement |
38% |
| Anticiperen op veranderende eisen d.m.v. personeelsplanning |
33% |
| Organisatie en inrichting van de P&O-functie |
33% |
| Effectief gebruik van personele ken- en stuurgetallen |
28% |
| Effectiever gebruik van bestaande P-instrumenten |
14% |
| Implementatie van nieuwe organisatieprincipes
(zelfsturende teams, vraaggestuurde organisatie) |
14% |
Het schema, samen met de toelichtingen die zijn gegeven,
laat zien dat het de deelnemers vooral ging om de ontwikkeling
van de rol van P&O tegen de achtergrond van integraal
management. P&O-ers worstelen hiermee, dat is duidelijk.
Vragen die in dit verband zijn gesteld: Hoe maken we
de toegevoegde waarde van P&O zichtbaar? Welke positie
neem je als P&O-er eigenlijk in als er sprake is
van integraal management? Hoe te handelen als je constateert
dat leidinggevenden niet waarmaken wat ze met de mond
belijden? Hoe slagen we er in HRM optimaal in te zetten
voor de doelen van de organisatie? Hoe maken we de omslag
van beheer naar verandering? Hoe te sturen op de ontwikkeling
van de P&O-functie en hoe kun je resultaten boeken?
Opvallend is dat personele ken- en stuurgetallen niet
al te hoog scoorden, terwijl juist hier toch mogelijkheden
liggen om de meerwaarde van P&O aan te tonen. Opvallend
is verder dat men meer geïnteresseerd leek in ontwikkeling
en implementatie van nieuwe instrumenten dan in effectiever
gebruik van bestaande. Tenslotte lijkt ook de implementatie
van nieuwe organisatieprincipes zich nog ietwat aan
het gezichtsveld van de P&O-er te onttrekken. Terwijl
hier naar de mening van verschillende congresdeelnemers
belangrijke mogelijkheden liggen: P&O in de rol
van veranderingsmanager.
2. De praktijk van de congresdeelnemers
In de inventarisatieformulieren is voorts gevraagd aan
te geven in welke mate binnen de eigen organisatie aandacht
besteed wordt aan een aantal taakvelden op P&O-terrein.
In het volgende overzicht zijn de scores op de schalen
gegroepeerd. De taakvelden zijn vervolgens in volgorde
van ‘aandacht’ gerangschikt.
Mate van aandacht binnen de organisatie voor P&O-taakvelden
| |
zeer weinig |
weinig |
gemiddeld |
veel |
zeer veel |
| instroom gekwalificeerd personeel |
0% |
10% |
15% |
55% |
20% |
| organisatieontwikkeling / cultuurverandering |
10% |
10% |
20% |
35% |
25% |
| maatwerk in arbeidsvoorwaarden |
5% |
10% |
25% |
55% |
5% |
| managementontwikkeling |
0% |
20% |
35% |
35% |
10% |
| loopbaanontwikkeling en mobiliteit |
5% |
25% |
30% |
25% |
15% |
| competentiemanagement |
5% |
45% |
20% |
25% |
5% |
| personeelsplanning |
10% |
35% |
45% |
5% |
5% |
| E-HRM / ICT-toepassingen |
20% |
50% |
25% |
5% |
0% |
Uit het schema en de gegeven toelichtingen
komt in de eerste plaats naar voren dat het verkrijgen
maar vooral het vervolgens behouden en ontwikkelen van
gekwalificeerd personeel veel inspanning vergt. Dit
is een belangrijke taak voor P&O, maar het is van
groot belang te beseffen dat de leidinggevende hierin
een cruciale rol vervult. Diverse keren wordt aangegeven
dat het leggen van verantwoordelijkheden bij het lijnmanagement
als moeizaam wordt ervaren, en ook ten koste van de
uniformiteit dreigt te gaan: het P&O-beleid wordt
door leidinggevenden nogal verschillend ingevuld en
personeelsinstrumenten op uiteenlopende wijzen toegepast.
Uit het schema blijkt verder dat aan organisatie ontwikkeling
en cultuurverandering veel aandacht wordt besteed. Vrijwel
iedere overheidsorganisatie lijkt zich vandaag de dag
in een proces van organisatieontwikkeling te bevinden;
de ene verandering is nog niet afgerond of de volgende
staat alweer voor de deur. Het is duidelijk dat hier
voor P&O kansen liggen. Ook duidelijk is dat dit
een flinke omslag voor de gemiddelde P&O-afdeling
met zich meebrengt.
Aan personeelsplanning en E-HRM wordt nog betrekkelijk
weinig aandacht besteed, terwijl hier naar de mening
van verschillende congresdeelnemers eveneens belangrijke
kansen voor P&O liggen. ‘Zet u ten behoeve
van management en medewerkers voldoende E-HRM in of
gaat alles nog fijn met de hand onder het mom van maatwerk?’
Tenslotte is ook gevraagd op welke terreinen / in welke
opzichten het P&O-beleid binnen de eigen organisatie
als ‘goed’ resp. als ‘onvoldoende’
is aan te merken.
Bij ‘goed’ komen we dan vooral zaken tegen
als: arbeidsvoorwaarden, regelgeving, registratie en
verslaglegging, functiebeschrijvingen, beloningsbeleid,
arbo-beleid, oplossen personele knelpunten. Het gaat
dan toch vooral om zaken waarin P&O tamelijk reactief
opereert.
Bij ‘onvoldoende’ lezen we zaken als: competentiemanagement,
personeelsplanning, verzuimbeleid, ontwikkelen en toepassen
van ‘harde’ instrumenten, managementontwikkeling,
positie P&O en PR, ondersteuning leidinggevenden.
Hierbij passen aanduidingen als: initiatief tonen, impulsen
geven, dynamiek ontwikkelen, pro-actief opstellen.
In de toelichting bij deze vraag wordt verschillende
malen aangegeven dat men zich realiseert dat P&O
zich moet ontwikkelen van reactief naar pro-actief,
dat de intenties daartoe wel aanwezig zijn, maar deze
nogal eens vastlopen op de harde eisen van de dagelijkse
werkelijkheid.
3. De discussies tijdens het congres
Tijdens het congres is intensief gediscussieerd. In
het plenaire gedeelte, maar vooral ook tijdens de vier
kleinschalige workshops, die zowel in het ochtend- als
in het middagprogramma plaatsvonden. Iedere workshop
had zo zijn eigen specifieke onderwerpen, maar er waren
ook een aantal gemeenschappelijke thema’s.
In de eerste plaats ging het over de rol en positie
van P&O en de vraag hoe deze samenhangt met de strategische
doelen van de organisatie. Over het algemeen was men
nogal kritisch over de huidige rol die P&O vervult.
‘Tussen droom en daad staan wetten en P&O-ers’.
‘Bij de reorganisatie heeft P&O de boot gemist’.
‘Het P&O-instrumentarium is meer een last
dan een lust’. De spanning tussen ambitie en realiteit
was voor velen herkenbaar en voelbaar, de bezorgdheid
over de positie en de kwaliteiten van de P&O-functie
overheerste. Er bestaat kennelijk de neiging tot een
negatief zelfbeeld: ‘weg met ons’. Bij sommigen
leidde dat tot de verzuchting: ‘Waarom laten we
ons toch voortdurend slaan? Is een zelfbewuste houding
niet een veel beter uitgangspunt voor verbetering?’
Ook is er spanning tussen staf (P&O) en lijn (management).
De primaire rol van P&O is die van ondersteuner
van het management. Het management is opdrachtgever
en ‘de individuele medewerker is nimmer een klant
van P&O’. ‘Als integraal manager verwacht
ik van P&O deskundigheid en een rol als bewaker
van verkokering’. ‘P&O moet vraaggestuurd
werken, maar P&O moet zelf ook de goede vragen stellen’.
En: ‘levert U vanuit P&O de concrete ken-
en stuurgetallen waar leidinggevenden behoefte aan hebben
en kan op basis van deze managementinformatie ook daadwerkelijk
gestuurd worden?’ Als de leidinggevende opdrachtgever
is, is het van belang dat de opdracht voor beide partijen
helder – zo mogelijk in contracttermen –
is gedefinieerd.
Het is belangrijk te onderkennen dat P&O-ers geen
voorkeursrecht hebben op ondersteuning van managers
bij ontwikkelingsprocessen. Het is heel goed mogelijk
om andere expertise aan te trekken – en dit gebeurt
ook: communicatiedeskundigen, bestuurskundigen, sociologen.
P&O-ers moeten zich meten met anderen en hebben
daarbij geen voorsprong. Integendeel: hun overwegend
beheersmatige oriëntatie is een handicap. Duidelijk
is dat het samenspel tussen management en P&O-ers
voor verbetering vatbaar is. ‘Het management droomt
niet over P&O’. Maar ook: ‘E = K x A,
waarbij wij vooral tekort schieten op de acceptatie;
onze relationele kant is niet goed ontwikkeld’
en ‘we moeten leren onze doelen te vertalen in
toegevoegde waarde voor de organisatie. We moeten meer
weten wat op de werkvloer gebeurt.’ Weten wij
wat de droom van de manager is? Kennen wij het primaire
proces? Conclusie van de discussie in een aantal workshops
was dat je wellicht niet het primaire proces tot op
het detail hoeft te kennen maar dat je wel in staat
moet zijn om aansluiting te vinden bij de werkproblemen
cq. doelstellingen van de lijnmanager om toegevoegde
waarde te kunnen leveren.
Kan P&O de transformatie naar een nieuwe rol en
positie maken? ‘Kan P&O de slag maken naar
een ondersteuner van toegevoegde waarde naar het management?’
De meningen daarover waren verdeeld. Het doorontwikkelen
van een beheersmatige P&O functie naar een ontwikkelende
staffunctie werd niet altijd als mogelijk gezien. Dit
kan verschillen per situatie. Een expliciete beoordeling
(‘kunnen onze P&O-ers dat’?) is onmisbaar.
Het ondersteunen van transformaties/ingrijpende veranderingsprocessen
vraagt om oude én nieuwe competenties. Uiteraard
expertise en deskundigheid. Een helikopterview, m.n.
op bedrijfskundige processen. Cruciaal zijn relationele
en communicatieve vaardigheden, een open houding, empathie,
respect, kunnen luisteren. Ook is het van groot belang
om van rol te kunnen wisselen. Vaardigheden op het terrein
van marketing zijn eveneens noodzakelijk: in staat zijn
je boodschap te kunnen verkopen. Maar ook: persoonlijke
rijpheid. P&O-ers die een belangrijke ondersteunende
rol vervullen dienen zelf een aantal ervaringen ‘doorleefd’
te hebben. Het effectief initiëren en ondersteunen
van veranderingen vraagt daarom.
4. Tot slot
Adviseur van de lijn ben je niet op voorhand, maar kun
je worden als je het verdient. Indien je in de ogen
van het lijnmanagement hebt bewezen dat je toegevoegde
waarde hebt bij het oplossen van hun problemen. Dan
zullen ze naar je gaan luisteren en je adviezen serieus
gaan nemen. P&O-ers roepen vaak dat managers resultaatgerichter
moeten werken, en heldere afspraken met hun medewerkers
moeten maken over te leveren prestaties. Het leren en
trainen van het lijnmanagement om op deze wijze te gaan
werken begint met een P&O afdeling die zelf concrete
afspraken maakt met de lijn over de producten en de
diensten die ze levert. Positief en vol zelfvertrouwen,
niet bang om fouten te maken en bereid om je voortdurend
verder te ontwikkelen.
Wij hopen dat we met dit congres een bijdrage hebben
geleverd aan de ontwikkeling van de P&O-functie
binnen de overheid. In ieder geval werd het congres
blijkens de uitgevoerde evaluatie door de deelnemers
bijzonder positief beoordeeld. Op basis daarvan hebben
wij het voornemen om het congres jaarlijks te gaan organiseren.
Informatie: TCG 053-434 66 36 (Jan de Jonge of Ronald
Doop), info@tcgcongres.nl.
Kaders:
Hans Weggemans (directeur Centrum voor
Arbeid en Beleid) stelde vast dat P&O weer op de
politieke agenda staat, dat de P&O-er zeer boeiende
opgaven te wachten staat en dat er weer wat geld is
om deze te realiseren. Benut de kansen, was zijn boodschap.
Toon je meerwaarde aan, verhoog je veranderkundige competenties
en probeer een voorbeeldfunctie te vervullen. Belangrijk:
minder schrijven en meer doen.
‘P&O in de etalage’, was de titel van
de inleiding van Carla Baan (gemeentesecretaris
van Moerdijk). Transformatie van de organisatie en van
het management vereist evenzeer een transformatie van
de P&O-functie, zo stelde zij vast. Consequentie
van een zich ontwikkelend lijnmanagement is een terugtrekkende
P&O-functie. De effectiviteit van P&O wordt
bepaald door de mate waarin de P&O-functie een afgeleide
vormt van het organisatieconcept.
Hans van den Hombergh (adviseur Overheid
bij KPMG) ging met name in op de rol van P&O als
veranderaar. Er is binnen de overheid een grote behoefte
aan professionele veranderaars. Daar liggen kansen,
maar P&O is daar geen eigenaar van en daartoe onvoldoende
gekwalificeerd. Een stevige professionalisering van
de P&O-functie is noodzakelijk: van ambachtelijk
kenniswerker naar professionele ontwikkelaar.
Tom Horn (Horn Management Consultancy)
gaf onder de titel ‘Bewegen is troef’ een
typering van het P&O-beleid bij het Ministerie van
EZ waar hij in zijn vorige functie verantwoordelijk
voor was. De peilers werden gevormd door competentie-
en employabilitymanagement, ondersteund door geavanceerde
ICT-toepassingen. Dit beleid was zeer succesvol, blijkens
de recente onderzoeken van Intermediair waarin EZ werd
verkozen tot en een-na-beste werkgever in Nederland
en beste overheidswerkgever.
|